Eindspel

HET EINDSPEL

Het eindspel is de derde en laatste fase van het schaakspel. Het is vaak moeilijk om juist te beschrijven wanneer een partij overgaat van middenspel naar het eindspel. Een korte definitie is hoe meer stukken er afgeruild zijn, hoe meer men in het eindspel komt. Waarom bestuderen we het eindspel? Met kennis van het eindspel kan men partijen winnen i.p.v. dat ze in remise verzanden, of zelfs verlies. Het eindspel correct behandelen helpt ook om een goed middenspel te spelen, door middel van een gunstige afwikkeling van de stukken. Kennis van bepaalde eindspelen en techniek om dit uit te oefenen zijn van fundamenteel belang. Het is duidelijk dat eindspel totaal anders is dan de openingsfase en het middenspel. De principes die daar gelden veranderen, de Koning die kwetsbaar is in opening en middenspel wordt in het eindspel juist een “sterk stuk”. Studie van het eindspel kan bestaan uit kennis van elementaire zaken, zoals matvoering en promotie van de pion. Maar zeker en vast heeft studie van de grootmeesters hun eindspel uit de praktijk zeer veel nut. Vooral de beroemde eindspelen uit de historie van het schaken zijn een “must” voor de amateur, enkele voorbeelden volgen.

Carlsen – Nakamura Londen 2015

 

And there we have it! The pure double bishop against double knight endgame. It didn’t seem that Hikaru would lose this position, especially because his knight on c6 was so firmly placed supported by the pawn on b7. However, one thing was for sure – White had an edge and he could play on forever. This is a bad position to be in as Black, especially if you are facing Magnus Carlsen.

38.Kf3 Kf8 39.f4 Magnus was critical of this move after the game. According to him if he hadn’t made this move it would have given him more flexibility and that square could have been used by his king or the bishop.

39…Pf6 40.Lf3 Ke7 41.f5

This move was probably necessary because Ke6 is not something that White would like to allow. 41…gf5: 42.gf5: Kd7 43.Kf4 Pe8 44.Kg5 Ke7 45.Lf4 a6

One of those pawn moves which should have been avoided in hindsight. But how does one decide whether such moves are good or not? Well it all depends on your intuition at this point and any pawn move seems incorrect in this position as it creates fresh weaknesses. We will see in the game how the move a7-a6 comes to haunt Black at a crucial moment. 46.h4 Kf8 47.Lg3 Pf6 48.Ld6+ Ke8 49.Kf4 Pd7 50.Lg2 Kd8 51.Kg5 Ke8 52.h5 Pf6 53.h6 Ph7+ 54.Kh5 Pf6+ 55.Kg5 Ph7+ 56.Kh4 gh6: 57.Kh5 Pf6+ 58.Kh6:

The king gets in to the game. You can see how little by little Magnus is building up his advantage. 58…Pg4+ 59.Kg7 Pd4!? 60.Le4 (60.Lb7:? Pf5:+ 61.Kh7 Pf6+ 62.Kh8 Pd6: 63.cd6: Kd7=) 60…Pf2 61.Lb1 (61.Lb7: Pf5:)

61…Pg4 62.Lf4 f6? Now this should have been surely avoided. Hikaru misses one of Magnus’ tricks in the next few moves. But one should avoid moving the pawn to f6 on general grounds as now that pawn is much more vulnerable than it was on f7. 63.Le4 Pf2 64.Lb1 Magnus was low on time and needed those last few seconds to calculate the consequences of Bxb7 Until then he repeats one more time. 64…Pg4 65.Le4 Pf2 66.Lb7: Pd3 67.Kf6:!! Pf4: Nakamura used almost all of his remaining time to play this move. It suddenly dawned on him that he was being dragged in to a completely lost position. 68.Ke5 Pe2 69.f6?! a5 70.a4 Kf7 71.Ld5+ Kf8

71…Kg6 Things would not really have been clear after this. 72.Ke4! Pc2 73.c6 Pc3+ 74.Ke5 Pa4: 75.Lb3! Pb6 76.Lc2: a4 77.c7 Kf7 78.La4: What was this if not technique at the highest possible level? Carlsen’s win shows to everyone out there that opening theory is important, but there is nothing that can replace solid endgame skills and knowledge. The way he ground out this win will surely go down as one of the best technical efforts ever.

De Philidor positie

François Philidor (1726-1795) was een Franse musicus en schaker en is bekend van de opening die naar hem is genoemd: 1.e4 e5 2.Pf3 d6 – maar ook in het eindspel zijn er posities die zijn naam dragen. Drie zeer belangrijke eindspelen trouwens:

Het toreneindspel met Toren + 1 pion tegen Toren, in het eindspel met Dame tegen Toren en een eindspel met Toren + Loper tegen Toren is een bepaalde positie vernoemd naar de operacomponist.

We bekijken de drie Philidor posities:

1. Wit aan zet wint / Zwart aan zet maakt remise

2. Wit wint, wie er ook aan zet is

3. Wit wint, maar met fijne techniek mat in 19 zetten

De oplossingen komen hier in PDF via een link:

De Spinoza van het schaken: Akiba Rubinstein

Deze Poolse meester (1882-1961) is nooit wereldkampioen geworden, maar heeft een plaats tussen de allergrootsten uit de historie van het schaken. Er zijn 35 openingen waar een variant zijn naam draagt, maar vooral in het eindspel was hij eclatant. Een virtiuoos in toreneindspelen en volgend eindspel is een van de beroemdste op dit gebied. De partij is Spielmann – Rubinstein, St. Petersburg 1909 en zijn tegenstander zei nadien: “Akiba, if you lived in the Middle Ages you would have been burned at the stake – what you do in rook endings can only be called witchcraft!”

Zwart aan zet na 40.Tc7xc2

40…Tb8-a8! De eerste fase van het plan is de witte pionnen aanvallen om de witte toren tot verdedigen te dwingen. 41.Tc2-c3 Ta8-a4 42.Tc3-d3 Kf8-e7 De tweede fase is de Koning naar het centrum brengen. 43.Kh2-g3 Ke7-e6

44.Kg3-f3 Ke6-d5 45.Kf3-e2?! g6-g5! De derde fase is om de eigen structuur van de pionnen op de koningsvleugel te verbeteren. 46.Td3-b3

46…f7-f6! 47.Ke2-e3 Kd5-c4 48.Tb3-d3 d6-d5 49.Ke3-d2 Ta4-a8 50.Kd2-c2 Ta8-a7! 51.Kc2-d2 Ta7-e7! 52.Td3-c3+ De laatste kans op activiteit voor wit. 52…Kc4xd4 53.a3-a4 Te7-a7 54.Tc3-a3 Ta7-a5 55.Ta3-a1 Kd4-c4

56.Kd2-e3?! d5-d4+ 57.Ke3-d2 Ta5-f5 58.Kd2-e1 Kc4-b4 59.Ke1-e2 Kb4-a5

60.Ta1-a3 Tf5-f4 61.Ta3-a2 Tf4-h4 62.Ke2-d3 Th4xh3+ 63.Kd3xd4 Th3-h4+ 64.Kd4-d3 Th4xa4 65.Ta2-e2 Ta4-f4! 66.Kd3-e3 Ka5-b6 67.Te2-c2

67…Kb6-b7 68.Tc2-c1 Tf4-a4 69.Tc1-h1 Kb7-c6 70.Th1-h7 Ta4-a7 71.Ke3-e4 Kc6-d6 72.Ke4-f5 g7-g6+ 73.Kf5xg6 Ta7xh7 74.Kg6xh7 Kd6-e5 75.Kh7-g6 g5-g4 Opgave Wit.

Een volledige analyse in een PDF document:

Akiba Rubinstein Rook ending

De Cuba crisis 1962

Een van de meest legendarische partijen is die tussen Botwinnik en Fischer, gespeeld op de Olympiade in Varna (Bulgarije) 1962. De enige keer dat ze elkaar achter het bord zouden ontmoeten. Fischer was toen 18 jaar oud, Botwinnik reeds 51 jaar oud en voor de derde maal wereldkampioen geworden. Tevoren was er al een heleboel stennis ontstaan. Fischer zou tegen de pers gezegd hebben: “Ik kan Botwinnik verslaan” (hij zei niet “ik ga hem verslaan). De toon was dus gezet en wat gaat er gebeuren op bord 1 van de ontmoeting Sovjet-Unie versus de Verenigde Staten? Het was midden koude oorlog en Croutsjov liet middenlange afstandsraketen op Cuba plaatsen. De CIA brengt J.F. Kennedy op de hoogte van deze plannen en de wereld balanceerde enige weken in staat van oorlog.

De partij tussen Botwinnik en Fischer wordt afgebroken op de 45é zet van wit. Fischer heeft een pluspion en dus een kansrijke positie. Maar dan blijkt het verschil tussen de Amerikanen en de Russen bijna metaforisch: Het verschil tussen kapitalisme en communisme. Fischer werkt omzeggens alleen, de Russen werken in ploegendienst. Geller, Keres, Petrosian en Furman in een ploeg om de afgebroken stelling te analyseren. In het andere team: Spassky, Tal en Boleslavsky is op zijn minst indrukwekkend. Nadien ontstaat er via de literatuur een discussie of zwart al dan niet kan winnen in de afgebroken positie. Veel analisten voelen zich geroepen om aan het debat deel te nemen, maar in de prille “sixties” gaat daar veel tijd over.

Stelling na 45.a2-a4 … Zwart aan zet:

45…Tc7-c5 46.Tf3-f7 Tc5-a5 47.Tf7xh7 Gevonden door Geller in de analyse. 47… Ta5xa4 48.h3-h4+ Kg5-f5 49.Th7-f7+ Kf5-e5 50.Tf7-g7 Ta4-a1 51.Kg3-f3 b7-b5

In deze stelling heeft Fischer mogelijk een verbetering gevonden. Hij publiceert die in zijn legendarisch boek “My 60 memorable games” (1969) en geeft een winstmethode weer (51…Kd4). Botwinnik weerlegt deze en zegt dat een 13 jarige pupil van hem de oplossing heeft gevonden (op de Botwinnik school in Moskou). Later kregen zijn woorden een andere betekenis, de 13 jarige pupil was niemand anders dan Garry Kasparov.

52.h4-h5 Ta1-a3+ 53.Kf3-g2 g6xh5 54.Tg7-g5+ Ke5-d6 55.Tg5xb5 h5-h4 56.f2-f4 Kd6-c6 57.Tb5-b8 h4-h3+ 58.Kg2-h2 a7-a5 59.f4-f5 Kc6-c7 60.Tb8-b5 Kc7-d6 61.f5-f6 Kd6-e6 62.Tb5-b6+ Ke6-f7 63.Tb6-a6 Kf7-g6 64.Ta6-c6 a5-a4 65.Tc6-a6 Kg6-f7 66.Ta6-c6 Ta3-d3 67.Tc6-a6 a4-a3 68.Kh2-g1 Remise.

Paard versus Loper

Een van de belangrijke tegenstellingen in het schaakspel is de verhouding tussen Paard en Loper. Beide stukken hebben dermate verschillende bewegingsmogelijkheden, maar zijn in waarde toch aan elkaar gebonden. De praktische benadering leert evenwel dat het ene stuk in veel gevallen het sterkst is en in even zovele gevallen het andere stuk beter is. Een “slechte loper” heeft als kenmerk dat er zwakten zijn op de velden van de andere kleur. Het “goede paard” heeft dan de keuze om de witte of de zwarte velden te bestrijken. In onderstaand voorbeeld onderzoeken we een stelling uit de partij Eliskases-Fhlor, Semmeringen 1937.

Zwart aan zet met als thema “Paard versus slechte Loper”. Het plan voor zwart is: 1. Het opspelen van de vleugelpionnen 2. Een opmars van de zwarte Koning naar het veld d4. 3. Handhaving en versterking tegen het veld e4. 28… f7-f5 29.f2-f3 Een ander besluit voor wit is 29.ef5: 29…f5xe4 30.f3xe4 b7-b5

De mobilisatie van de damevleugel is doelstelling 1. De druk tegen e4 is een andere doelstelling die zwart reeds heeft bereikt.

31.Ke1-d2 a7-a5 32.Kd2-d3 Kg7-f6 33.Lg2-f3 Kf6-e7

Doelstelling 2: De opmars van de Koning. 34.h2-h4? Een verzwakking van de witte pionnen (34.Ld1! is beter). 34…h7-h6 35.Lf3-d1 Ke7-d8 36.a2-a4 b5xa4

De beste kans voor zwart is 36..b4. 37.Ld1xa4 Kd8-c7 38.La4-c2 Kc7-b6 39.Kd3-c3 Kbb5 40.Kc3-b3 Kb5-c5 41.Kb3-a3 Pd6-c4

Zwart wil de zaak forceren. 42.Lc2-b3? (Beter is 42.Lb1) 42…Pc4-d2 43.Lb3-c2 Pd2-f1 44.Ka4xa5 Pf1xg3 45.Ka5-a4 Pg3-h5 46.Ka4-b3 Kc5-d4 47.Kb3-b4 Ph5-f6 48.d5-d6 g7-g5 49.h4xg5 50.Kb4-b5 g5-g4

51.Lc2-d1 g4-g3 52.Ld1-f3 Kd4-e3 53.Lf3-h1 Ke3-f2 54.Kb5-c6 g3-g2 55.Lh1xg2 Kf2xg2 56.d6-d7 Pf6xd7 57.Kc6xd7 Kg2-f3 en zwart wint.

Damjanovic-Fischer, Buenos Aires 1970

Zwart aan zet

64…Kc5-b5 65.Ke3-d3 a5-a4 Dit lijkt niet goed, maar het schept bijkomende  problemen. 66.b3xa4+ Kb5xa4 67.Kd3-c4 Ka4-a3 68.Kc4-c5 Ka3xa2 69.Kc5xb4 Ka2-b2

70.Kb4-c5 Kb2-c3 71.Kc5-d6 Kc3-d4 72.Kd6-e6 Pf6xe4 73.Ke6-f7 Pe4-f2 74.Kf7-g7 e5-e4 75.Kg7xh6 (75.Le4: helpt niet na Ke4: 76.Kh6: Kf4) 75…e4-e3 76.Kh6-g7 e3-e2 77.h5-h6 e2-e1D

78.h6-h7 De1-e7+ 79.Kg7-g8 Pf2-e4! 80.Lf5xe4 Kd4xe4 81.h7-h8D De7-e8+ 82.Kg8-g7 De8xh8 83.Kg7xh8 Ke4-f4

Zwart wint.

In het eindspel wordt de waardeverhouding tussen Loper en Paard het meest duidelijk.

  1. In posities zonder vastgelegde pionnen (of vrijpionnen) wegen de loper en paard tegen elkaar op.
  2. Indien er geen vastgelegde pionnenzijn, maar wel vrijpionnen aanwezig zijn, is de loper het sterkst. Vanwege de werking op grote afstand.
  3. In stellingen met vastgelegde pionnen gaat het erom of de loper “goed” of “slecht” is.

Keres – Barcza, München 1942

Wit aan zet 1.Ke3-d3 Er dreigde immers Pd4, maar nu kan wit zelf penetreren via c4.  1…Pc6-e5+ 2.Kd3-c2 c5-c4 3.f3-f4! Pe5-d7 4.b3xc4 Pd7-c5 Het ziet er naar uit dat zwart mooie tegenkansen heeft.

5.Ld2-e3! Het einde van de illusies voor zwart, de witte loper gaat nu zijn volle kracht ontplooien. 5…Ke6-d6 (na 5…Pa4: volgt 6.Ld4!) 6.e4-e5+ De juiste zet (6.Lc5:+ Kc5: 7.Kd3 b3 8.Kc3 b2 9.Kb2: Kc4: en remise). 6…Kd6-c6 7.g2-g4! Dreigt nu Lc5: en f5 wint. 7…Pc5xa4? (beter is Pe6) 8.Le3-d4 De karakteristieke wending van de loper, het paard is gevangen!

8…Pa4-c5 9.Ld4xc5 Kc6xc5 10.f4-f5 Kc5-c6 11.f5-f6 Misschien nog beter is 11.e6. 11…Kc6-d7 12.c4-c5 a5-a4 13.c5-c6+ Kd7xc6 14.e5-e6 f7xe6 15.f6-f7 Wit wint.

Greatest+Ever+Chess+Endgames.pdf by Ion Popescu on Scribd